Alles wat u wilt weten over toner
Answer
Alles wat u wilt weten over toner
Toner
Toner is een poeder dat gebruikt wordt in laserprinters en kopieerapparaten, waarmee de tekst en afbeeldingen op het papier gevormd worden.
Oorspronkelijk was toner grafietpoeder; moderne toners zijn een mengsel van grafiet en een polymeer. De poederdeeltjes zijn ongeveer 8 tot 12 micrometer in diameter.
In kleine apparaten zit de toner meestal in een speciale cartridge, deze hele cartridge wordt ook wel toner genoemd. In grotere of oudere apparaten wordt meestal gebruikgemaakt van losse plastic flessen.
Tonercartridges worden hergebruikt door verschillende fabrikanten. De lege cartridges worden dan ingezameld, opengemaakt en opnieuw gevuld met toner.
Starttoner
Een starttoner is een toner die meegeleverd kan worden met nieuwe laserprinters. De toner is slechts gedeeltelijk gevuld, waardoor deze gemiddeld slechts drie- à vierhonderd A4-pagina's kan afdrukken. De gebruiker wordt dan al vrij snel gedwongen om normale tonercassettes te kopen, die meestal tamelijk duur zijn.
Vooral bij goedkope kleurenlaserprinters is de prijs van een set normale tonercassettes vaak hoger dan die van een compleet nieuwe printer. Voor die merken die een volle toner meegeleveren kan het daarom voordeliger zijn bij opraken van de toner gewoon een nieuwe printer aan te schaffen. Starttoner is bedoeld om deze praktijk te ontmoedigen.
Hervulprocedures
Het hervullen van tonercartridges gebeurt op de volgende manieren:
Hervullen en hergebruik door de eindgebruiker; normaal gesproken gebeurt dit met gebruik van een doe-het-zelf-lasertonerhervulset van W&Z waarin het juiste tonerpoeder zit, een reset chip en instructie voor het hervullen. Er zijn verschillende types toner
Dit is volledig legaal zolang de merkafbeeldingen van de originele fabrikant worden verwijderd. Ook heeft het geen gevolgen voor de garantie op de printer..
Alleen de toner bijvullen is te vergelijken met het steeds bijtanken van een auto zonder ooit de olie te vervangen. De eerste tijd kunnen hervulde cartridges nog goed werken, maar halverwege de levensduur stijgt de kans op defecten snel.
Tonercartridges kunnen niet oneindig vaak hervuld worden vanwege de aanwezigheid van onderdelen die uiteindelijk versleten zijn en de electro-optische rol (drum) kan beschadigd raken. Een andere complicerende factor is dat sommige modellen laserprinters, net zoals inkjetprinters, communiceren met een computerchip, die aangeeft wanneer de cartridge leeg is, dit onafhankelijk van het daadwerkelijk leeg zijn van de cartridge.
In het algemeen is voor het doe-het-zelf hervullen van cartridges nodig dat deze wordt geopend, terwijl de cartridge zo ontworpen is dat hij nooit zo maar open kan gaan. Daarna moet de cartridge bijgevuld worden en het gat waardoor dat gebeurt is worden gedicht. Sommige cartridges kunnen ook zonder er een gat in te boren worden geopend, maar de meesten niet. Verkopers leveren daarom vaak een soldeerapparaat dat een gat van 17mm in het plastic brandt dat later gesloten kan worden met een plastic dopje of tape.
Kritiek
Er zijn een paar belangrijke punten om op te letten. Tonerpoeder is niet allemaal op dezelfde manier samengesteld; het is niet slechts een kwestie van verschil in kwaliteit.
Bijvulsets zijn beschikbaar voor zowel zwart/wit laserprinters als voor de vier cartridges van een kleurenprinter (cyaan, magenta, geel en zwart). Deze kits hebben normaal gesproken ook een reset chip als dat nodig is.
Milieu
Er zijn voordelen voor het milieu bij het hervullen van toner cartridges. De impact op het milieu van toner gaat sterk omlaag doordat één cartridge meerdere malen gebruikt kan worden. Tonercartridges zijn gemaakt van plastic en kleine hoeveelheden ander materiaal. Het plastic in elke cartridge kost ongeveer 3,3 liter olie om te maken.Tijdens de fabricage van de cartridge wordt vier liter petroleum verbrand, wat gelijk staat aan 10kg CO2 die in de atmosfeer terecht komt. Dit betekent dat het hervullen van een cartridge ongeveer 7.3 liter brandstof en 10kg CO2 minder oplevert. Verder heeft hervullen tot gevolg dat cartridges niet terecht komen op de vuilnisbelt waar ze anders honderden tot duizenden jaren nodig zouden hebben gehad om te vergaan.
Veiligheid
Tonerpoeder kan schadelijk zijn voor de gezondheid als het wordt ingeademd tijdens het hervullen van de tonercartridge. Tonerpoeder is niet giftig, maar moet voorzichtig behandeld worden. Bij transport en opslag van tonerpoeder moeten regels voor de gezondheid en veiligheid in acht worden genomen. Het valt aan te raden handschoenen en een stofmasker te dragen bij het werken met tonerpoeder. Gemorst tonerpoeder moet niet worden opgezogen met een standaard stofzuiger omdat het er voor kan zorgen dat de poederdeeltjes elektrisch geladen worden, waardoor in de stofzak brand kan ontstaan. Bovendien is het stof zo fijn dat het niet wordt opgevangen door een filter maar weer wordt uitgeblazen en in de lucht terecht komt waardoor het kan worden ingeademd. Ook kan het op die manier in de motor van de stofzuiger terecht komen en die beschadigen.
Een laserprinter drukt tekst en afbeeldingen af, door toner (zwart of gekleurd poeder) aan het papier te hechten.
Techniek
De techniek (xerografie) voor monochrome laserprinters gaat in het kort als volgt. Er is een ronde koker (de 'drum'), die met lichtgevoelig materiaal is bedekt. Vroeger was dat het giftige selenium, maar tegenwoordig gebruikt men silicium, dat bovendien lichtgevoeliger is. Die drum wordt eerst met statische elektriciteit een negatieve lading gegeven. Vervolgens wordt op die drum een afbeelding geprojecteerd (in het verleden met een laser, maar tegenwoordig soms ook met een led). Het licht wordt via een roterende spiegel en een lens op de drum geprojecteerd. Waar het silicium wordt belicht verliest de drum zijn elektrische lading. De drum draait rond en komt dan langs zwart poeder (toner) gemengd met stalen balletjes met een positieve of minder negatieve lading. De gelijkpolige ladingen stoten elkaar af. De toner wordt aangetrokken door de drum op de geneutraliseerde delen die niet belicht zijn door de laser. De toner van de drum wordt vervolgens met positieve statische elektriciteit van de drum op het papier getrokken. Vervolgens wordt het papier warm gemaakt door het door een warme rol en een drukrol (de fuser) te leiden, waardoor kunststofbolletjes in de toner smelten en zo de toner op het papier vastzetten.
Om de toner gelijkmatig te krijgen worden er soms ijzerdeeltjes aan toegevoegd. Vervolgens wordt er een magneet boven de toner geplaatst, zodat rondom de magneet er een mooie hoeveelheid toner klaarstaat, om door de drum aangetrokken te worden.
De techniek bij een kleurenprinter gebruikt soortgelijke technieken maar de toner wordt op verschillende manieren aangebracht op het papier. Meestal gebruikt men dan een band (transfer-belt).
Laser- en ledprinters
Een laserprinter maakt gebruik van een fysisch proces waarbij het papier over verschillende rollen geleid wordt, waarbij eerst gedeeltes van een lichtgevoelige drum elektrisch geladen worden met behulp van een pulserende laser die via een snel roterende spiegel (laserprinter) of een ledbalk (ledprinter) de drum bestrijkt. Een fijn zwart (of anders gekleurd, in geval van een kleurenprinter) poeder (toner) wordt aangebracht op de geladen gedeeltes doordat het aangetrokken wordt door het magnetische veld dat op de geladen delen van de drum aanwezig is. Er bestaan twee varianten op dit procedé: zogenaamde zwartschrijvers (zwarte pixels worden geschreven op de drum) en witschrijvers (witte pixels worden geschreven op de drum). Het beeld op de drum wordt overgebracht op het papier, waarna door verhitting van het papier de toner gefixeerd wordt. Dit type printer geeft op dit ogenblik het mooiste resultaat.
Een laserprinter slaat een hele pagina tegelijk op in zijn geheugen. Hiertoe had hij vroeger een kleine computer ingebouwd die de binnenkomende gegevens (de paginabeschrijving, bijv. Postscript of PCL) vertaalde in een uit puntjes opgebouwd paginabeeld. Nu zowel de personal computer als de verbinding tussen computer en printer veel sneller is geworden, laten de meeste laserprinters het aan de aansturende computer over om het paginabeeld te berekenen.
Voordelen
Snelle techniek.
De toner is relatief goedkoop per pagina.
Een zwart-wit-laserprinter is goedkoop (het kost rond de 70 euro).
Zeer scherpe en watervaste afdrukken.
Sinds recent bestaan er kleurenlaserprinters, zodat ook kleurenprints tot de mogelijkheid behoren, deze printers zijn wel veel duurder dan de zwart-wit variant.
Nadelen
Een nieuwe tonercassette is vaak duurder dan een nieuwe set inktjetpatronen van een inktjetprinter, maar gaat ook veel langer mee.
Een laserprinter verbruikt relatief veel energie voor de fixering van de toner, het papier wordt hierbij verhit tot tussen 150 en 200 graden Celsius.
Bij oudere modellen laserprinters ontstaat ozon door het gebruik van een hoogspanningtechniek met coronadraden, deze ozon wordt geneutraliseerd met ozonfilters. Ozonfilters verzadigen en moeten met regelmaat worden vervangen. Moderne laserprinters hebben een aangepast systeem waardoor dit geen rol meer speelt.
Toepassingsbereik
Printers kunnen worden onderscheiden op basis van het toepassingsbereik: er zijn individuele printers, netwerkprinters en productieprinters.
Gangbare classificaties worden bepaald door de printbare papierbreedte, de printsnelheid en printvolume.
Gebruikelijke indeling naar papierbreedte:
A4 of A3: kleinformaat of smalformaat
tot A0 of 36 inch: breedformaat
groter dan 36 inch: grootformaat
Printsnelheid wordt uitgedrukt in pagina's per minuut (ppm). Moderne productieprinters halen snelheden tot 150 ppm en printvolumes van miljoenen pagina's per maand. Grootformaat printers drukken hun productiecapaciteit uit in vierkante meter per uur (m2/h). Dit kan variëren van een paar vierkante meter per uur tot enkele honderden.
Papierinvoer
Men kan printers ook categoriseren naargelang van de wijze waarop het papier wordt ingevoerd.
De vellenprinter of "cut sheet" printer werkt met vooraf op het juiste formaat gesneden vellen. Hieronder vallen vrijwel alle inkjet-, laser- en thermische overdrachtsprinters. Voor matrix- en letterwielprinters was vaak een speciale papiergeleider of een voorraadbak nodig om op losse vellen te kunnen printen.
Matrix- en regelprinters maken gebruik van kettingpapier. Dit is een doorlopende strook papier die aan de zijkanten voorzien is van een rand (pinfeed) waarin gaten zijn aangebracht op een afstand van 12,7 mm (een halve inch). Transportwielen in de printer (tractors) grijpen in deze gaten. Na het printen kan de strook papier in losse vellen worden gescheurd. Voor dat doel is het papier geperforeerd. De pinfeed kan meestal ook worden afgescheurd. De afstand tussen de perforaties is onvermijdelijk een veelvoud van 12,7 mm, vanwege de pinfeed. Meestal is dat 279,4 mm (11 inch), wat overeenkomt met de hoogte van het Amerikaanse standaardformaat (Letter). In Europa wordt papier verkocht waarvan de vellen 304,8 mm (12 inch) hoog zijn, zodat een vel op de maat A4 (297 mm) kan worden afgesneden.
De rollenprinter of "continuous feed" printer werkt met papier op rollen dat pas na het printen wordt gesneden. De rollenprinter kan op zeer hoge snelheden werken en wordt vooral gebruikt voor middelgrote en grote oplagen.
Moderne toepassingen
Enerzijds worden printers minder nodig naar mate men informatie kan raadplegen via beeldschermen, ook op mobiele apparatuur, anderzijds is een nieuwe toepassing de e-ticket: men koopt dan via internet een afbeelding die moet worden afgedrukt. Deze afdruk doet dienst als toegangsbewijs of vervoersbewijs. Bij het nog modernere systeem van mobile ticketing is juist weer geen printer nodig.
Een nieuwe ontwikkeling is de 3D-printer. Met deze printers zijn 3D-objecten driedimensionaal af te drukken. Tot voor kort waren 3D printers duur en werden alleen commercieel toegepast. Door open source projecten daalt de prijs snel en worden ze ook voor de (handige) consument betaalbaar.
Kopieerapparaat
Kopieerapparaat / printer / scanner / fax
Een kopieerapparaat, ook wel kopieermachine, fotokopieerapparaat of kopieertoestel, is een apparaat dat gebruikt wordt om afbeeldingen of tekst van papier te kopiëren. Dit wordt fotokopiëren genoemd. Het moderne kopieerapparaat is in werking verwant aan de laserprinter.
Een kopieerapparaat kan een optisch afbeeldend systeem hebben waarbij het origineel direct op de elektrisch geladen printrol wordt geprojecteerd om daar vervolgens m.b.v. tonerpoeder een beeld te genereren, maar in moderne kopieerapparaten wordt veelal gebruikgemaakt van een aparte scannende tussenstap, wat het onder andere mogelijk maakt om het beeld tussen het scannen en het printen in digitaal te corrigeren, om het contrast bij te regelen bijvoorbeeld.
Een scanner en printer samen hebben dezelfde functie als een kopieerapparaat.
Een fax is in wezen een kopieerapparaat waarbij het scannende gedeelte en het printende gedeelte niet op dezelfde plaats staan maar door een telefoonlijn zijn verbonden (via datalijnen).
Geschiedenis
Het kopieerapparaat werd uitgevonden door James Watt. Hij kreeg er in 1781 patent op. Het principe ervan was simpel. Het oorspronkelijke document werd met een gelatine-achtige inkt geschreven. Daarna werd het tegen vochtig gemaakt kopieerpapier gelegd en samen tussen twee rollen geperst. De inkt van het origineel werd dan door het kopieerpapier geperst zodat het aan de andere kant zichtbaar was. In het begin waren de doordrukken nogal bleek. Maar verbeteringen in de gebruikte inkt leverden betere resultaten. Er konden zelfs meerdere afdrukken van 1 origineel gemaakt worden. In de 19e eeuw veroverde het kopieerapparaat een vaste plaats in het kantoor.
Nadeel was dat alleen 'verse' documenten gekopieerd konden worden. Vanaf 1840 werd geprobeerd kopieën te maken met behulp van lichtgevoelig papier. Dit leidde tot technieken als blueprinting en de Photostat Machine van Kodak.
De allereerste kopieermachines waren de zogenaamde natkopieerders. Het papier werd in de machine behandeld met een vloeistof, waardoor het nat uit de machine kwam en eerst moest drogen. Deze kopieën waren ook slecht bewaarbaar. De tekst vervaagde, de vellen papier gingen makkelijk aan elkaar kleven, en de kopie werd onder invloed van dag- of zonlicht langzaam paars.
De eerste "droge" kopieermachine is uitgevonden door de Amerikaanse advocaat Chester Carlson in 1937. Nadat zijn idee door een twintigtal bedrijven werd afgewezen vond hij in 1944 een partner, Haloid, die de techniek verder met hem wilde ontwikkelen. Carlson noemde het kopieerproces "xerografie", van het Griekse 'droog schrijven'. Later werd hiervan de naam Xerox afgeleid. De eerste commerciële kopieermachines kwamen pas in 1949 op de markt. Deze droge kopieermachine werkte op basis van statische elektriciteit.
1) Een rol (drum) — in hoogvolume-apparatuur meestal een band (belt) — wordt voorzien van een elektrostatische lading.
(2, 3) Dan wordt de rol belicht met een afbeelding van het origineel. Op de plaatsen waar veel licht valt lekt de statische lading weg.
(4) Hierna wordt er droge 'inkt' (toner, een heel fijn plasticpoeder) op de rol aangebracht, die alleen op de geladen delen van de rol (die dus in het origineel ook donker waren) door de elektrostatische aantrekkingskracht blijven 'kleven'.
(5) Hierna wordt een blanco vel papier sterker geladen en langs de rol gevoerd.
(6) Het papier trekt de toner van de rol aan en zo ontstaat de kopie. De toner ligt dan nog los op het papier.
(7) Door het papier langs een warmtebron te voeren smelt het plastic vast op het papier en is de uiteindelijke kopie klaar.
Bovenstaande is alleen van toepassing op analoge machines, de huidige machines hebben een andere werking.
De moderne kopieermachine
Omdat momenteel de kopieermachine eigenlijk een samenstel van een scanner en een laserprinter is, is het thans gebruikelijk dat deze onderdelen ook afzonderlijk te gebruiken zijn in combinatie met netwerkfunctionaliteit. Zo ontstaat er een toestel waarmee men niet alleen kan kopieren, maar ook kan printen, documenten versturen, documenten digitaliseren (inscannen) en faxen. Een dergelijk apparaat wordt multifunctionele printer of kortweg MFP of ook wel Multifunctional genoemd.







